top of page

DE DOOD

De dood, zoals er vele mensen mee omgaan en ook geloven, dat de tikker gewoon ophoudt, de ademhaling stopt en dan is het ashes to ashes, dust to dust, weg  en verdwenen uit dit circus dat we aarde of wereld noemen. Maar niets is minder waar…

Want wat wij “ophouden” noemen, is misschien slechts het ophouden van een vorm — niet van wat die vorm bezielde. Alsof een golf terugkeert in de zee: niet verdwenen, maar onherkenbaar geworden als afzonderlijke golf. Het verdwijnen van het lichaam is dan niet het verdwijnen van zijn bron.


In dat licht is de dood geen deur naar niets, maar een terugvallen in wat nooit echt verlaten is geweest. Alleen het verhaal van “ik” — met al zijn grenzen en zekerheden — lost op. Wat overblijft is niet leegte als afwezigheid, maar leegte als openheid. Niet het einde van bewustzijn, maar het wegvallen van wat het bewustzijn vernauwde.


En misschien is dat precies waarom de dood in mystieke tradities niet als vijand verschijnt, maar als onthulling. Niet als breuk, maar als herkenning.


Dan vraag ik me soms af: wat is er erger? Hier geboren worden? Of hier sterven?


Als we “geboren worden” met een wat volwassen fantasie aanschouwen, zitten we daar in een veel te nauwe omgeving (je kan jezelf niet eens strekken), in de nattigheid, hartstikke warm en je hoort van alles, je voelt van alles. Je hebt geen idee wat daarbuiten gaande is. Je loopt wat trauma’s op van eender welke soort, niemand is een uitzondering daarop, en dan is er het licht aan het einde van de “tunnel”. Wegwezen denk je… Je schrikt je te pletter, zoveel licht en lawaai, en een temperatuur terugval van hier tot ginder. Eerste vraag die in je opkomt: wat doe ik hier? Tja, de rest van je leven je trauma’s opruimen.


Als je sterft, dan weet je dat (zolang je geen accident hebt of zo). Dat is al een voordeel. Je kan je daar meestal op voorbereiden. En dan, daar heb je die tunnel weer. Wat doe je? Dood gaan op zich, doet geen zeer, dat weten we. Mensen denken dat als ze dat zien, maar in wezen is dat niet. Lijden kan je zien, maar dan is de betroffen persoon niet dood.

Misschien is dat waarom mensen zo bang zijn voor de dood, de stilte. Omdat in echte stilte het verhaal begint te scheuren. Niet het lichaam protesteert het hardst tegen de dood, maar het personage dat we geworden zijn. Dat ding vol namen, herinneringen, voorkeuren, rancunes, dromen en onafgewerkte zinnen.


Het “ik” wil eeuwigheid, maar dan liefst zonder verandering, dat lijkt het leuk te vinden. Het wil blijven bestaan zoals het zichzelf kent. Alleen werkt het universum blijkbaar niet mee aan die eis, bummer. Niets blijft wat het was. Niet het lichaam, niet gedachten, zelfs verdriet verandert voortdurend van vorm.


En als we dan toch aan het contempleren zijn, oefenen we ons hele leven al in sterven zonder het te beseffen. Iedere afscheidsscène, iedere verloren liefde, iedere versie van jezelf die je onderweg achterlaat. Het zijn kleine repetities. Kleine overlijdens van identiteiten waarvan je ooit dacht dat ze permanent waren. Maar wacht…En toch overleef je ze telkens. Of nog beter: iets overleeft ze. Iets kijkt zelfs toe terwijl alles verandert of transformeert.


Dat vreemde “iets” heeft geen leeftijd. Het zat al achter je ogen toen je kind was, en het kijkt nu nog steeds. Gedachten zijn veranderd, je gezicht veranderde, je stem veranderde, maar dat stille getuige-zijn lijkt onaangeraakt door tijd. Misschien is dat dichter bij ons echte gezicht dan al de rest. Daarom vermoed ik soms dat de dood minder een einde is dan een ontmaskering. Alsof alles wat niet wezenlijk is langzaam uitvalt. Eerst het lichaam, dan de rol, dan de naam, dan zelfs het verhaal dat je over jezelf vertelde.


Wat er dan overblijft?Misschien niets.Misschien alles. Misschien zijn dat uiteindelijk hetzelfde.


Het bewustzijn.

 
 
 

Opmerkingen


Beelden van Casita en Cortijo Gorrion

bottom of page